Blaaspijpje

Hoe een eenvoudige politiefotograaf wereldexpert in dronkenschap werd

Robert Borkenstein (Fort Wayne, Indiana, 31 augustus 1912 – Bloomington, Indiana, 10 augustus 2002)

Het blaaspijpje – het toestelletje om te controleren of je onder invloed met de auto rijdt – is uitgevonden in het land waar de nood het hoogst was, in de Verenigde Staten. Robert Borkenstein, de uitvinder ervan, bracht het in 1958 op de markt.

Hij kon het patent wereldwijd goed beschermen en het door velen vervloekte zakje maakte van hem een welgesteld man.

Borkenstein werd in 1912 geboren in Fort Wayne in de staat Indiana. Zijn ouders hadden het niet breed en de jonge Robert begon nog tijdens zijn schooljaren in een fotozaak te werken. Hij bedacht er een nieuw proces om kleurenfoto’s af te drukken, een idee dat hij tegen goed geld kon verkopen.

In 1936 kreeg hij bij de politie een baantje als fotograaf. Haast dagelijks moest hij dodelijke ongevallen fotograferen waarbij alcohol in het spel was. Dat de drooglegging nog maar net was opgeheven, speelde ongetwijfeld een rol.

Het zat Borkenstein dwars dat autobestuurders geniaal zijn in het verzinnen van een smoes. Dus werkte hij enkele jaren intens aan het eerste type van de leugendetector. Zijn hele leven zou hij voor politiescholen over dit omstreden toestel lezingen houden.

Zonder bloedstaal was het onmogelijk om wetenschappelijk vast te stellen of een chauffeur te veel had gedronken.

Politieagenten moesten vertrouwen op hun eigen waarnemingen. ‘Blijf eens een minuut bewegingloos rechtop staan’, zeiden ze.

Of: ‘Blaas eens in mijn gezicht.’ ‘Loop eens over deze witte lijn.’ Sprak de betrokkene met een stijve tong, lalde hij misschien, of waren zijn ogen bloeddoorlopen? Van dit soort observaties kon een goede advocaat voor de rechter makkelijk brandhout maken.

Ze zeiden dat hun cliënt doodmoe was geweest, slaapdronken of overwerkt. En dat kon Borkenstein niet verkroppen.

Een vriend van hem aan de universiteit van Indiana had net in die tijd aan het licht gebracht dat ook met een staal van de adem de hoeveelheid alcohol in iemands bloed kan gemeten worden. Alcohol gaat na het drinken grotendeels via maag en dunne darm naar het bloed.

Een klein deel van de alcoholmolecules gaat via het bloed naar de longen. Die worden in de miljoenen longblaasjes afgestaan aan de lucht die wordt uitgeademd.

Samen ontwikkelden ze tegen 1938 een systeem dat ‘drunkometer’ heette. Maar het was allesbehalve gebruiksvriendelijk. De bestuurder moest eerst in een doodgewone, klassieke ballon blazen. De politieman moest zien dat hij het ding niet tussen zijn vingers liet wegglippen.

Vervolgens moest de ballon naar een laboratorium worden gebracht. Daar werd de ademtocht van de bestuurder door een mengeling van chemicaliën gefilterd. De kleuren die daarbij ontstonden, gaven aan hoeveel alcohol de bestuurder in zijn bloed had.

Borkenstein wist dat hij om dit systeem te verbeteren over te weinig wetenschappelijke kennis beschikte. Hoewel hij de veertig al voorbij was, begon hij aan de universiteit een studie forensische medicijnen. Tegen 1954 had hij het moderne, eenvoudig te gebruiken blaaszakje klaar.

Vanaf 1958 werd het gecommercialiseerd. Pas tien jaar later stak het aarzelend de Atlantische Oceaan over. In een uitgebreide studie toonde Borkenstein haarfijn aan dat de grens om nog behoorlijk met de auto te rijden op 0,8 promille lag. Vele jaren was die 0,8 de wereldstandaard.

Lang lag de grens bij 0,5 promille, maar ze is nog dalend.

De eenvoudige autodidact werd in 1958 hoogleraar aan de universiteit van Indiana. Tegen die tijd was hij ook de grootste Amerikaanse expert inzake dronkenschap. Was Borkenstein een geheelonthouder of lustte hij een glas? Borkenstein was dol op Franse wijn.

Hij hield ervan zijn vrienden een glas te serveren en hij reisde elk jaar met zijn vrouw, een Franse jeugdschrijfster, naar zijn geliefde Frankrijk op jacht naar bijzondere wijnen. Maar hij stond erop dat je om achter het stuur te kruipen, compleet nuchter moest zijn.

Hoewel hij welgesteld was, kon hij het speuren naar nieuwe uitvindingen niet laten. In de
eerste plaats was er nog zijn leugendetector, maar hij fabriceerde ook een kleine blaasautomaat die je makkelijk in bars en cafés aan de muur kon hangen. Als je er een munt instopte en op een pijpje blies zei de automaat hoe het met je gesteld was.

Bij 0,4 promille kreeg je de tekst: ‘Wees een goede chauffeur.’ Tussen 0,5 en 0,9 promille kreeg je de raad je auto te laten staan.

Bij hoger dan 1 promille zei het toestel: ‘Vanaf nu ben je een passagier.’ De kroegbazen vonden het maar niks, en zeiden dat hun klanten deze bijzondere informatie liever niet wilden weten. En het toestel flopte.

In een aantal westerse landen – Zweden, Finland, Australië, de VS, Canada – kunnen rechters de dag van vandaag aan alcoholverslaafden als straf het gebruik van een alcoholslot opleggen.

Dit slot is een toestel dat de bestuurder na een ademtest verhindert de motor te starten als hij of zij te veel gedronken heeft. In België en Nederlands is een gelijksoortige wet in de maak.

De Zweedse autobouwer Volvo, pionier ook van de veiligheidsgordel, biedt sinds 2008 auto’s aan met een geïntegreerde ‘alcoguard’. Voor het eerst zijn er nu auto’s in de handel die dienst weigeren als de bestuurder de alcoholtest niet doorstaat.

De logische voortzetting van een idee dat ontstond in het hoofd van een eenvoudige politiefotograaf in Indiana.

Leave a Comment