Lipton

Schotse kruidenierszoon levert thee uit eigen plantages rechtstreeks in uw theepot

THOMAS JOHNSTONE LIPTON (1850-1931)

Lipton is een van de zeldzame firma’s die er de consument permanent aan herinneren dat hun naam ooit stond voor een mens van vlees en bloed. Op haast alle verpakkingen zie je het portret van de oude Lipton afgedrukt, inclusief hangsnor, zeemanspet en vlinderdas.

Daarnaast vind je een of meer zeilschepen en Sir Thomas’ duurzame reclameslogan: Direct from the tea garden in the teapot. Op elk van de meer dan 1,3 miljard builtjes die jaarlijks de fabriek in het Belgische Vorst verlaten, staat zijn handtekening.

Ook ruim zestig jaar na zijn dood staat de man nog zelf borg voor kwaliteit, zo suggereert de handtekening. Daarmee zijn ook drie belangrijke elementen uit Liptons leven aangestipt.

Tussen de man en zijn merk bestond het kleinst mogelijke verschil. Hij was een verstokte vrijgezel die al zijn tijd in zijn werk stopte en er geen privé-leven op nahield. Nog tijdens zijn leven was hij een soort van wandelende merknaam.

Naast zijn obsessie voor het zakenleven (‘Eigenlijk heb ik alleen maar de gave van een verkoper’) was er in de tweede helft van zijn leven ruim plaats voor een andere passie: de zeilsport.

Vandaar de zeilschepen en de zeemanspet. En de reclameslogan ten slotte illustreert heel aardig zijn voornaamste commerciële principe : ‘Schakel de tussenhandel uit, koop ter plaatse.’ Op het gebied van de thee paste hij dit uitgangspunt wel erg rigoureus toe.

Lipton was 40 en steenrijk toen hij thee als handelswaar ontdekte. Voor hij het product op de markt bracht, kocht hij op het toenmalige Ceylon, vandaag Sri Lanka, tientallen plantages op. Van tussenhandel was dan helemaal geen sprake meer.

De slogan had bijgevolg ook kunnen luiden: ‘Rechtstreeks van mijn theeplantage in uw theepot.’

Thomas Johnstone Lipton werd op 10 mei 1850 geboren in de Schotse havenstad Glasgow. Zijn ouders waren arme, Ierse boeren die de legendarische hongersnood van de jaren veertig waren ontvlucht.

Zijn vader werkte aanvankelijk als tijdopnemer in een papierfabriek en opende later een kleine kruidenierszaak in Crown Street, een sombere straat in de schaduw van een aantal hoogovens. Thomas was het zesde kind. Drie waren er al gestorven en ook de twee anderen zouden vroegtijdig overlijden.

Maar Tommy was sterk en gezond. Hij groeide op in het winkeltje waar zijn ouders eieren, boter en hammen verkochten die ze van een bevriende boer in Ierland betrokken. Op zijn zevende werd hij naar school gestuurd.

Maar hij kon het niet hebben dat zijn ouders het financieel moeilijk hadden terwijl hij zich op de schoolbanken verveelde. In 1860 vond hij zijn eerste baantje: als boodschappenjongen voor een kantoorboekhandel.

Amerika

Hij was groot en sterk voor zijn leeftijd en bracht zijn vrije tijd aan de kaden van de Clyde door, de riviermonding waar altijd de sfeer van de zee en van verre reizen hing. Glasgow was een van de steden van waaruit in die jaren honderdduizenden Ieren en Duitsers richting Verenigde Staten trokken.

Lipton zocht beter betaald werk en vond dit als kajuitsjongen aan boord van een stoomboot die elke nacht tussen Glasgow en Belfast pendelde. Op die boot kreeg hij de smaak voor de zee pas echt te pakken.

Begin 1865 werd hij na een incident ontslagen. Met zijn spaargeld kocht hij meteen een ticket als tussendekspassagier richting New York. Aan boord hield hij zich onledig met het schrijven van brieven voor ongeletterde passagiers.

Over zijn aankomst zou hij later graag vertellen hoe hij vanaf de boot jongelui zag staan die pensionhuurders ronselden. Hij rende als eerste aan wal en vroeg hun wat hij kreeg als hij twaalf klanten aanbracht. Een week logies, zo zeiden ze hem.

En Tommy Lipton zocht op de boot twaalf mensen uit voor wie hij karweitjes had opgeknapt en die hem wel een wederdienst wilden bewijzen. Zo kwam hij in New York aan: zonder contactadres en met acht dollar op zak.

De Amerikaanse Burgeroorlog liep ten einde. New York stikte van de teruggekeerde soldaten, zodat de werkgelegenheid klein was. Alleen in het zuiden was werk zat. De jonge Schot, een kind nog van nauwelijks 15, trok noodgedwongen naar de tabaksplantages van Virginia.

Hij werkte in de rijstvelden van South Carolina, was voerman in New Orleans, brandweerman in Charleston, boekhouder op een plantage. Hier verwondde een boze Spanjaard hem met een mes in het aangezicht, daar kwam bij hakwerk een bijl in zijn voet terecht.

Na drie jaar vond hij in New York eindelijk een baantje op de levensmiddelenafdeling van een warenhuis. Hij keek er zijn ogen uit.

Hij bestudeerde de manier waarop de Amerikaanse winkeliers hun goederen presenteerden, de stijl waarin ze de klanten benaderden, de kracht van advertenties en reclameborden. De jonge Lipton maakte snel promotie.

Hij zou het met zijn talent en werkkracht in de Verenigde Staten zeker hebben kunnen maken. Maar toen deed hij iets ongewoons: zodra hij zijn eerste vijfhonderd dollar had gespaard, keerde hij naar Schotland terug.

Waar anderen om fortuin te maken naar de Nieuwe Wereld trokken, zag de 19-jarige Lipton zijn toekomst in zijn geboortestad liggen.

Glasgow

In de lente van 1869 kon zijn moeder haar enig overlevende kind weer in de armen sluiten. Het winkeltje in Crown Street – dat alleen maar als levensonderhoud diende – was echter te klein geworden voor de halve Amerikaan.

Hij wou reclame maken, met paard en kar met de naam Lipton erop aan huis leveren, kortom, heel Glasgow laten weten dat zijn winkel bestond. Zijn vader vond het maar niks. Reclame was in die jaren in Groot-Brittannië nauwelijks bekend. ‘Goede wijn behoeft geen krans,’ was het motto.

Voor Lipton verliep zo’n proces te traag. In New York had hij geleerd dat de klant wakker moest worden geschud, overgehaald, ingepalmd, omgepraat. Op zijn 21ste verjaardag, 10 mei 1871, opende hij zijn eerste levensmiddelenwinkel in Stobcross Street, Glasgow.

Het verhaal van de dertig jaar die daarop volgden, is er een van hard werken en spectaculair adverteren. Hij was jong, verstandig, knap en kon zichzelf alles ontzeggen. Hij nam een tikkeltje over van de Amerikaanse showman en maakte van zijn winkel een plaats waar het aangenaam vertoeven was.

Voor kinderen moest het ‘een tovergrot’ zijn.

Hij kocht twee vette varkens en liet ze onder een Lipton-spandoek naar zijn winkel drijven.

Dag na dag werden de varkens telkens langs een andere route gejaagd, soms met de tekst : ‘Ik ren naar Lipton’s, de beste Ierse-hammenwinkel van de stad.’ Voor er een half jaar om was, kon hij een tweede zaak openen. Thomas zette holle en bolle spiegels voor de deur om de kinderen te vermaken.

De concave spiegel, die je smaller en magerder deed lijken, had als titel ‘Op weg naar Lipton’s,’ de andere, die dik maakte en je bolle wangen deed krijgen: ‘Komend van Lipton’s’. Mager zijn wees in die dagen op armoe of ziekte, of allebei.

Dik zijn was een teken van welstand. Of hij liet twaalf vrouwen-met-forse-boezem door de stad wandelen met manden waarop geschreven stond: ‘Wij winkelen bij Lipton.’

In 1880, op zijn 30ste, opende hij zijn twintigste vestiging.

Toen hem bij die gelegenheid naar het geheim van zijn succes gevraagd werd, zei hij: ‘Mijn beleid bestaat erin elke week een nieuwe winkel te openen.’ Met Kerstmis 1881 liet hij in de Verenigde Staten ‘de grootste kaas aller tijden’ maken, namelijk met de melk die 800 koeien in zes dagen hadden geleverd en die door 200 melkmeisjes was ingezameld.

Met een metalen boterboor liet hij vervolgens muntstukken in de kaas verstoppen. In twee uur tijd was de jumbo-kaas verkocht en lag de naam Lipton op ieders lippen. De Ierse boeren alleen konden zijn winkels niet meer bevoorraden.

Hij ging op verkenning in Rusland en Scandinavië en uiteindelijk, vanaf 1881, keerde hij terug naar de Verenigde Staten.

Workaholic

Liptons werk was zijn hobby. Hij gokte nooit, speelde nooit met kaarten, ging nooit naar een theater of een concertzaal, hij had geen vrienden, alleen zakenrelaties en die zag hij alleen tijdens kantooruren, andere uren waren er niet. Lipton kende geen enkele vorm van ontspanning.

Ontspanning was tijdverlies, vond hij. Hij dronk geen alcohol en rookte niet. Lipton was altijd ‘on the move’, om een nieuwe winkel te openen, om een manager of een agent op te zoeken, om voorraden te kopen. Voor een privé-leven was er geen tijd.

In de herfst van 1889 overleed zijn moeder, de vrouw bij wie zijn grenzeloze ambitie haar oorsprong vond. Al die jaren was hij bij haar blijven wonen. Heel zijn leven had hij de ideale zoon willen zijn, die het verlies van vijf andere kinderen kon compenseren.

Wat moest hij zonder haar beginnen? ‘Ik besloot nog harder te werken,’ zou hij later zeggen.

Thee

Thee was tot dusver duur geweest, een drank voor de hoogste klasse. De handel ervan was in handen van een monopoliemaatschappij en het transport vanuit China kostte veel geld.

Toen dit monopolie tegen het laatste kwart van de vorige eeuw wegviel, stoomsche- pen zeilboten gingen vervangen en de theeplantages in Indië tot bloei kwamen, ontstonden nieu- we mogelijkheden. Lipton had daar oog voor. In de zomer van 1890 reisde hij naar Australië, zogenaamd om uit te rusten.

Hij hield halt in Colombo, op Cey- lon, en investeerde er 75.000 pond in theeplantages. Hij keek naar thee zoals naar boter en eieren, namelijk iets waarmee hij meer klanten naar zijn driehonderd winkels kon lokken.

Thee kostte op dat ogenblik drie shilling per pond. Lipton drukte de prijs tot één shilling zeven pence en hield nog een fikse winst over. Vóór die tijd zat de thee los in grote kisten verpakt en werd hij los verkocht. Lipton stopte de thee in pakjes van één, een half en een kwart pond.

De thee kon zo beter bewaard blijven, het merk gestandaardiseerd worden en het pakje makkelijker verhandeld. Vervolgens plakte hij er een aantrekkelijk etiket op met de afbeelding van een Tamilmeisje met een mand op het hoofd en de slogan: ‘Rechtstreeks van de theetuin in de theepot.’

De vraag naar thee explodeerde. Lipton greep zijn kans. Op elk bestaand reclamebord in Groot-Brittannië verschenen de woorden ‘Lipton’s Tea’. Hij adverteerde op treinen en bussen en liet Indiërs als sandwichmen door de straten paraderen.

Met zijn winkels was hij miljonair geworden, met zijn thee verloor hij het overzicht op zijn rijkdom. De belasting bedroeg in die dagen ook voor de grootste inkomens niet meer dan vijf procent, de hogere heffingen moesten nog worden uitgevonden.

Lipton was de naam van een winkelketen geweest, nu werd hij het handelsmerk van een nationaal basisprodukt.

Londen

De innemende Schot kocht vervolgens een landgoed in de buurt van Londen, waar hij in de zomer van 1894 voor het eerst zijn vijfhonderd Londense personeelsleden en de nationale pers uitnodigde. In aanwezigheid van journalisten was hij op zijn best.

Een tijdgenoot beschreef hem in die dagen als een somber en streng uitziend man met een militair voorkomen, een indrukwekkende verschijning, ontzag inboezemend. Op het ogenblik dat hij begon te spreken verdween dit alles in één oogopslag en werd hij innemend, beminnelijk en geestig.

‘Hij straalde hartelijkheid uit,’ zo zeggen anderen. Hij lachte altijd, maakte eeuwig grapjes, vertelde altijd verhalen. Het was heel moeilijk om hem iets ernstigs te laten zeggen, om hem op iets vast te pinnen.

Zelfs op een persconferentie had hij de neiging zich te gedragen alsof hij op een tuinfeest was.

Hij hield ervan altijd opnieuw dezelfde anekdoten te vertellen, zo blijkt tenminste uit de persknipsels van die jaren. En wat het geheim van zijn succes was? ‘Mis nooit een kans om reclame te maken.

Maar zorg ervoor dat hetgeen je aanprijst ook goed is.’ Foto’s van 1876 en 1897 laten zien dat hij in twintig jaar tijd nauwelijks was veranderd: zijn haar was nog altijd in het midden gescheiden, hij had nog altijd dezelfde dikke hangsnor en hetzelfde onderlipsikje, dezelfde twinkeling in de ogen, dezelfde rijzige gestalte.

Misschien was de haargrens iets geweken, was het haar een tikkeltje dunner en krulde het iets sterker om zijn oren.

Niettemin bleef Lipton als persoon een nobele onbekende. Hij was alleen maar een merknaam.

Als multimiljonair van bijna 50 leidde hij in Londen ongeveer hetzelfde leven als in Glasgow toen hij vooraan in de 20 was. ‘Lipton werkte als een gek,’ aldus zijn biograaf Alec Waugh, ‘niet zozeer om zijn commercieel imperium uit te breiden als wel om het verdriet om de dood van zijn moeder minder sterk te hoeven voelen.’

Sir Thomas

In april 1897 deed de prinses van Wales, later koningin Alexandra, in The Times een oproep om ter gelegenheid van het diamanten jubileum van koningin Victoria een fonds te stichten om op de heuglijke dag alle arme Londenaars een gratis maaltijd te verschaffen.

Dat jaar was al vier keer een beroep gedaan op de vrijgevigheid van de bevolking, zodat het initiatief niet van de grond kwam. 30.000 pond was het vereiste minimumbedrag. Lipton, intussen hofleverancier geworden, had meteen beloofd voor de thee en de suiker te zullen zorgen.

Naderhand schonk hij 25.000 pond, een fortuin voor die jaren. Lipton zag in alles, ook in deze schenking, publicitaire mogelijkheden, zo veel was zeker.

Anderzijds was hij gul. Hij was zelf arm geweest, hij had zowel in Glasgow als in de Verenigde Staten armoe gekend. Een week later nam hij de organisatie van het feest zelf in handen en zorgde hij ervoor dat 400.000 personen konden aanzitten.

Achteraf werd een Alexandra-trust opgericht om een serie gaarkeukens voor armen in heel Londen op te zetten. Lipton schonk alweer 100.000 pond. De teruggetrokken, onbekende theekeizer was in één klap een publieke figuur. Niet alleen in Groot-Brittannië maar ook in de Verenigde Staten.

Vijftien jaar lang was hij keer op keer als een onbekende man naar New York gereisd, en naar Chicago en Omaha, waar hij eigen varkensfokkerijen bezat. Nu werd hij in New York ingehaald als een koning. Koningin Victoria ridderde hem op 18 januari 1898.

Critici waren van oordeel dat Sir Thomas zijn titel had gekocht. In datzelfde jaar vormde hij zijn firma om tot een naamloze vennootschap.

Hoewel hij het grootste deel van de aandelen in handen hield, verloor hij het alleenzeggenschap over de firma en moest hij zijn daden tegenover de actionarissen verantwoorden.

Op de eerste aandeelhoudersvergadering maakte hij een onbeholpen indruk, stotterde en stuntelde hij, beging hij ook fouten. Dat zou nooit veranderen. De selfmade man miste elk talent om verantwoording af te leggen.

Zeilsport

Het kan geen toeval zijn dat juist in de tijd dat zijn bedrijf hem ontgroeide, zijn interesse voor de zeilsport onstond. Hij kocht een jacht en daagde meteen de New York Yachting Club uit voor de strijd om de America’s Cup, tot de dag van vandaag de meest prestigieuze titel in de zeilsport.

De Cup bestond sinds 1851 en was door de Amerikanen meteen van Groot-Brittannië afgesnoept. In een halve eeuw tijd was geen enkele Brit erin geslaagd hem te heroveren. De uitdaging van Lipton kwam voor iedereen als een complete verrassing.

Misschien was ze aanvankelijk alleen bedoeld als zoveelste publiciteitsstunt. Snel werd het een ernstige zaak.

In september 1899 vertrok Sir Thomas met zijn Shamrock – het symbool van Ierland, verwijzend naar zijn Ierse ouders – voor de race richting New York. Daar was toevallig de viering van de overwinning van de Spaans-Amerikaanse oorlog aan de gang. Lipton werd er als een held ingehaald.

Hij verloor de wedstrijd, maar werd achteraf ook in Engeland gevierd. Voor het eerst in zijn leven – hij was toen bijna 50 – was hij een publieke figuur en kwam hij in contact met al wie naam had. De prins van Wales, later koning Edward vii, nam hem in zijn vriendenkring op.

Het Britse imperium begon aan zijn laatste tien glorierijke jaren en Lipton zat er middenin.

Jaar na jaar keerde zijn firma tussen de 12 en 15% dividend uit. En Sir Thomas legde zich verder toe op de zeilsport. In 1900 daagde hij de Amerikanen opnieuw uit. Bij de tweede race in 1901 verloor hij eveneens. Hij werd er alleen maar bekender en gevierder door.

De derde wedstijd vond plaats in 1903. Lipton had Amerikaanse tycoons zoals Vanderbilt en Rockefeller tegenover zich staan. Zijn schip moest robuust zijn om de tocht over de Atlantische Oceaan te kunnen maken en slank en rank om de wedstrijd te kunnen winnen.

Weer verloor zijn Shamrock. Maar zijn charmante stijl en sportieve geest maakten grote indruk. Zozeer dat president Theodore Roosevelt voor hem op het Witte Huis een banket organiseerde.

Amerikaanse toeristen in Londen zeiden dat er maar twee mensen waren die ze echt wilden zien, koning Edward en Sir Thomas.

De jaren 1897 tot 1910 vormden een hoogtepunt in zijn leven. Eén keer draaide een Amerikaanse journalist hem een loer door een interview te verzinnen waarin Sir Thomas verklaarde driftig op zoek te zijn naar een levensgezellin en vervolgens een profiel schetste van zijn toekomstige bruid.

Honderden vrouwen bestormden zijn hotel in New York. Als een vluchteling moest hij die keer het land verlaten. Terwijl hij vroeger al zijn energie in het werk had gestoken, schoof hij nu alles opzij voor de zeilsport. Voor romances was er geen tijd.

Volgens zijn biografen was zijn moeder de enige grote liefde die hij ooit had gekend. ‘Zijn moederliefde blokkeerde zijn emotionele ontwikkeling ten opzichte van vrouwen in het algemeen,’ schrijft zijn biograaf Alec Waugh.

In de laatste jaren van zijn leven zei hij slechts twee dingen te betreuren: dat hij nooit was getrouwd en dat hij nooit de America’s Cup had gewonnen. In 1910 stierf koning Edward, die intussen een goede vriend was geworden. Daarmee eindigde ook een tijdperk in Liptons leven.

Onteerd

Londen stelde hem teleur. Hij reisde almaar vaker naar de Verenigde Staten en bracht de winters door op Ceylon. In 1913 daagde hij de Amerikaanse zeilers voor de vierde keer uit. Maar tegen de tijd dat die race in september 1914 moest plaatsvinden brak de Eerste Wereldoorlog uit.

Tegelijkertijd werd hij geconfronteerd met het enige echte schandaal dat zijn 80 jaar lange leven zou teisteren. Liptons personeel had aan legerofficieren jarenlang smeergeld betaald om bepaalde orders in de wacht te slepen.

Het daarop volgend proces raakte in politiek vaarwater en leidde zelfs tot een Hogerhuis-debat waarin ook de naam viel van Lipton als voorzitter van de raad van bestuur en directeur. Lipton, de vleesgeworden Britse sportheld, tilde daar zwaar aan.

Op de volgende aandeelhoudersvergadering kreeg hij verwijten naar het hoofd geslingerd. Hij voelde zich onteerd en vernederd. Hij was boos, en rancuneus tegenover een wereld waarin dit kon gebeuren.

Tijdens de oorlogsjaren hervatte hij plotseling de strenge werkroutine. ’s Avonds placht hij te bladeren in de vijftig boeken met persknipsels die hij over zichzelf had aangelegd. ‘Kennelijk de enige manier waarop een man van de daad zijn leven kan documenteren,’ aldus een biograaf.

In juli 1920 vond de vierde race voor de America’s Cup plaats, en weer verloor hij. Lipton was nu 70 geworden, een grand old man. De Britten koesterden hem zoals ze dat nooit eerder hadden gedaan.

Een bekende journalist beschreef in die dagen een ontmoeting met hem in een interieur volgepropt met trofeeën. En hoe hij de eeuwige anekdoten weer opdiste en zoals altijd eindigde met wat levenswijsheid van zijn moeder. ‘Hij was simpel en charmant.

Zijn trots op zijn adellijke relaties was zo naïef, dat je er geen aanstoot aan kon nemen.’

Fiasco

Hij raakte doodsbenauwd voor inbrekers. Gasten hoorden ’s nachts de voetstappen van de bewakers op het grind. Vanwege de veiligheidsinstallatie mochten ze niet aan de ramen aankomen.

Dagelijks liet hij zich medisch onderzoeken. ‘Het lichaam is een stuk mechaniek dat evenveel zorg vergt als een automobiel,’ zo zei hij. Dag en nacht zat de oude man over dossiers gebogen. In 1924 liep de winst terug. 1925 werd helemaal een debacle.

De aandeelhouders vonden dat de grote baas zijn krachten overschatte, dat hij meer moest delegeren, dat hij moest werken tot vijf uur ’s middags en niet tot drie uur ’s nachts. Tegen 1926 was het duidelijk dat het met de firma goed fout zat.

De oude Lipton moest de leiding afstaan : ‘Hij was als een kind van wie het geliefde speelgoed bruusk en wreed werd afgepakt. Hij besefte niet dat wat gedaan werd, goed was voor zijn belangen. Hij zat vol pathetische verwijten en nogal domme rancunes,’ aldus een medewerker.

De pers, bij wie Lipton in hoog aanzien stond, spaarde de grand old man, zodat zijn imago voor het Britse publiek niet werd aangetast. Kennissen zeiden later dat Lipton slordig was geworden als het om reuzensommen ging en pinnig om kleine. Veel onheil ontstond ook uit zijn stijl van leiding geven.

Het wereldconcern was in feite een eenmansbedrijf gebleven. Lipton vroeg nooit iemand om advies. Hij kon binnen het management niet samenwerken. Hij was ongeduldig, opvliegend en meedogenloos. Hij ontsloeg soms in het wilde weg. Hij verloor zijn blik voor de juiste man op de juiste plaats.

Hij bleef op zoek naar jonge mensen zoals hij er zelf één was geweest. Maar de tijden waren veranderd en Lipton liet zich inpakken door het luidruchtige type met veel branie, mensen die achteraf vaak lui en oneerlijk bleken te zijn.

Hij wantrouwde op den duur alles en iedereen en installeerde in zijn woonkamer microfoons in de sofa’s om vennoten voor hij ze ontving, af te luisteren. Personeelsleden kregen de opdracht elkaar te bespioneren. Het werkklimaat verzuurde.

Lipton werd opzijgeschoven en vier jaar later kon opnieuw dividend worden uitgekeerd. Sir Thomas werd gedwongen zijn Britse aandelen te verkopen, waardoor zijn onderneming onder controle kwam van de Nederlandse margarinefabrikant Van den Bergh. 1926 was een donker jaar.

Het is veelbetekenend dat zijn collectie persknipsels, intussen tot 84 delen uitgegroeid, in dat jaar stilviel.

Amerika

Hij behield wel de controle over zijn zaken in Amerika, en die floreerden enorm, zodat hij steeds vaker aan de overkant van de oceaan verbleef. De Amerikaanse journalisten gingen met hem om als een koning. Alles wat hij deed was nieuws. Met zijn grapjes en Britse flair wond hij ze om zijn vinger.

Zo placht hij te zeggen: ‘Mijn enige bloedverwanten zijn een paar muggen in New Jersey, die me hier zestig jaar geleden hebben verwelkomd.’ Tien jaar lang onderhandelde hij met de New York Yachting Club over de voorwaarden voor een vijfde race. In 1930 was het weer zover.

In Londen werd hem door koning George vi uitgeleide gedaan. De belangstelling van de media was enorm. Maar ook dit keer moest hij – 80 jaar oud – het onderspit delven.

De Amerikanen hadden zoveel sympathie voor ‘’s werelds grootste verliezer’ dat ze een nationale inzameling hielden om hem een beker te kunnen schenken – door Tiffany’s van 18-karaats goud vervaardigd – die kostbaarder was dan die van de winnaar.

Het daarop volgend afscheidsfeest had ook symbolische betekenis. Het feest van de westerse wereld was voorbij. De Grote Depressie wierp haar eerste schaduw. Hoewel Sir Thomas onverstoorbaar plannen maakte voor een nieuwe race in 1932. In mei 1931 werd hij 81.

Ook Europa raakte in een economische crisis: die zomer weigerden hotelhouders in het zuiden van Frankrijk Engelse cheques uit te betalen. De wereld van Thomas Lipton was in verval. Eind september deed hij tijdens een ritje met de auto een verkoudheid op.

Daags nadien werkte hij nog de hele ochtend. ’s Avonds ontving hij gasten op een diner.

Hij was vrolijk, opgewekt en speelde een partijtje biljart. Later op de avond vond het personeel hem bewusteloos in zijn kamer. Twee dagen later, op 2 oktober 1931, was hij dood.

Onder grote belangstelling werd hij in het graf van zijn ouders, broers en zusters op het SouthernNecropolis-kerkhof van Glasgow bijgezet. Zijn testament bevatte slechts twee kleine persoonlijke legaten. De rest van zijn fortuin had hij voor ziekenen armenhuizen in zijn geboortestad bestemd.

Zijn bedrijf werd via de Nederlandse margarinefabrikant Van den Bergh in 1929 opgenomen in het Brits-Nederlandse Unilever, dat in 1946 ook de Amerikaanse vestiging verwierf.