Vuilnisvat

Uit wraak hechtten de Parijzenaars zijn naam aan zijn uitvinding

Eugène Poubelle (Caen, 15 april 1831 – Parijs, 16 juli 1907)

De vuilnisbak kan alleen maar uitgevonden zijn in een smerige omgeving. En dat was in de negentiende eeuw Parijs, de Franse lichtstad, met niet minder dan twee miljoen inwoners. Het huisafval werd er gewoon op straat gekiept. En niemand haalde het op.

De riolen lagen open, kamerpotten werden gewoon in de straat geleegd. Het stonk er als de pest. Geen wonder dat Parijs ook een traditie heeft in de handel met parfums en reukwaters.

Geregeld brak er cholera uit en stierven tienduizenden mensen. Soms kwam er een prefect die een ophaaldienst voor het vuilnis in het leven riep.

Het Eugène Poubelle machtige gilde van voddenrapers – 30.000 man – zag zich door zo’n dienst in zijn bestaan bedreigd en reed de vuilniskarren gewoon de Seine in. Alles bleef zoals het was. Totdat in 1883 Eugène-René Poubelle arriveerde.

Poubelle was in 1831 in Caen geboren en had een schitterende rechtenstudie achter de rug. Hij doceerde rechten onder meer aan de universiteit van Toulouse, en trok in 1870 als een goede patriot naar Parijs om tegen de Duitsers te vechten.

Hij was van dan af in een hele reeks steden prefect, maar maakte vooral naam in Marseille. Eind 1883, hij was toen 52, werd hij prefect van de hoofdstad.

Drie maanden later ondertekende hij een verordening die bepaalde dat de eigenaar van elk huis het regelde dat de bewoners ervan over een of meer gemeenschappelijke vaten moesten beschikken om het huisafval in te storten.

De fameuze ‘poubelle’, toen nog ‘boîte d’ordures ménagères’ genoemd, was een feit. Stedelijke straatvegers moesten de vaten met stortkarren ophalen waarbij hun komst werd aangekondigd ‘door het geluid van een hoorn zoals die gebruikt wordt bij de spoorwegen’, aldus het decreet.

De Parijzenaars vonden het maar niks.

De chroniqueur van de Courrier de Paris liet een van hen zeggen: ‘Een tiran zoals Lodewijk XVI, die overigens ter dood is veroordeeld, zou het nooit hebben aangedurfd dit soort ergerlijke maatregelen te nemen.’ Waar de journalist aan toevoegde: ‘Er steekt veel waarheid in die boutade.’ Maar in 1885 brak in de grote Franse steden opnieuw cholera uit.

Echter niet in Parijs. Poubelle stond sterk. De hoofdstad had er nog nooit zo keurig uitgezien. In hoog tempo liet hij de riolen dichten. Tegen 1892 zat de laatste pijp onder de straatstenen.

En de opstandige voddenrapers? Die trokken tegen Poubelle ten strijde om het recht te verwerven ook in de vuilnisbakken hun buit te zoeken. De Parijzenaars waren bang dat het leger van arme donders hun haakstokken als wapens zouden gebruiken.

In mei 1885 gaf Poubelle toe, alleen onder de voorwaarde dat ze hun sorteeractiviteiten buiten de stad zouden houden. De schooiers vonden zo’n plek op een verlaten militair terrein in Saint-Ouen in een noordelijke uithoek van Parijs.

De Parijzenaars kwamen er voorbij op hun wekelijkse wandelingen naar de openluchtcafés in de nabijgelegen bossen. De voddenrapers boden hun spullen te koop aan in het gras: dat was het begin van de vermaarde Marché aux Puces.

Poubelle bleef tot op zijn 65ste préfet de la Seine en was dan nog twee jaar ambassadeur bij de Heilige Stoel. In 1898 ging hij met pensioen. Hij vestigde zich in de buurt van Carcassonne, in het diepe zuiden van Frankrijk, waar zijn vrouw vandaan kwam.

Hij werd er in zijn oude dag nog voorzitter van de boerenbond en een ardent défenseur des vins du Midi, een vurig verdediger van de Zuid-Franse wijn. Hij ligt in Carcassonne begraven.

Toen Poubelle in 1907 overleed, werd hij in alle bladen geprezen om zijn grote kwaliteiten als bestuurder, zijn tactisch inzicht en zijn groot oratorisch talent. Wijselijk zwegen ze over het feit dat de Parijzenaars al spottend, uit wraak, zijn achternaam aan de vuilnisbak hadden gehecht.