Vleesextract

Een van de honderd ideeën van de grootste Duitse chemicus van de negentiende eeuw

Justus Von Liebig (Darmstadt, 12 mei 1803 – München, 18 april 1873)

Vleesextract of bouillon is weliswaar door een Duitser bedacht, maar het werd voor het eerst in Antwerpen vervaardigd. De firma Liebig is in 1863 België gesticht en tot voor enkele jaren was het een zuiver Antwerps bedrijf.

Liebig werd in Darmstadt geboren als zoon van een drogist en handelaar in kleurstoffen. Nadat hij op de jaarlijkse kermis een tovenaar met voetzoekers aan het werk had gezien, deden zich ook in zijn ouderlijke woning de eerste kleine ontploffingen voor.

Erger werd het toen een leraar hem op school bij proefnemingen met het gevaarlijke knalkwik betrapte en hij aan de deur vloog. Ten einde raad deed de vader zijn vijftienjarige zoon bij een apotheker in de leer. Tien maanden later veroorzaakte hij midden in de nacht alweer een ontploffing.

Dit keer vloog het dak van de apotheek weg en Liebig mocht opnieuw vertrekken. Hij studeerde vervolgens chemie in Bonn en Parijs. En de universiteit van Giessen benoemde het jonge genie in 1824 – hij was toen 21 jaar oud – tot hoogleraar in de scheikunde.

Liebig stichtte het eerste onderwijslaboratorium van Europa en snel verspreidde zijn faam zich over de hele westerse wereld. Het waren zijn studenten die enkele jaren later in bedrijven zoals Bayer, BASF, Hoechst en AGFA in hoog tempo de superieure Duitse chemische industrie op gang brachten.

Liebig, een workaholic van het zuiverste soort, vond de kunstmeststof uit, het bakpoeder, het babyvoedsel, de moderne verzilvering van spiegelglas en wel honderd andere dingen.

In 1847 ontwikkelde hij tussendoor ook nog een formule voor het bereiden van vleesextract. Door de industriële revolutie en de rush op de steden was voor grote delen van de bevolking het voedzame vlees onbetaalbaar. Een goedkoop vleesextract kon een antwoord zijn.

Maar voor één kilogram extract was niet minder dan dertig kilogram vlees nodig en dat was naar Europese normen veel te duur.

In 1852 werd Liebig hoogleraar aan de universiteit van München en zo kwam het dat de hofapotheker van de koning van Beieren op kleine schaal Liebigs Fleischextrakt op de markt bracht.

In zijn geschriften suggereerde Liebig dat Zuid-Amerika voor het probleem van de prijs misschien een oplossing kon bieden.

De runderen werden daar voor de huid, het vet en de horens gefokt, zodat de vleesprijzen zeer laag waren. En daar bleef het bij. Liebig stortte zich meteen op andere kwesties.

Door een toeval kreeg de Duitse ingenieur Georg Christian Giebert uit Antwerpen in 1861 het artikel van Liebig in handen. Giebert werkte voor een Belgische spoorwegfirma en verbleef vaak in Zuid-Amerika waar hij op jacht was naar orders voor zijn firma.

Terug in Europa reisde hij meteen naar Liebig in München en stelde hem voor diens Fleischextrakt in Uruguay op grote schaal te produceren. De 59-jarige Liebig was enthousiast en haastte zich om Giebert een introductiebrief mee te geven voor andere Duitse zakenlieden in de Scheldestad.

Een uitgebreide Duitse kolonie speelde in de negentiende en in het begin van de twintigste eeuw economisch, cultureel en sociaal in Antwerpen een rol van eerste rang. Zo vond Giebert snel de fondsen die hij nodig had om zijn nieuwe firma te stichten.

In Fray Bentos, aan de Uruguayrivier, kocht hij de nodige gronden en 12.000 stuks vee. Hij begon meteen met de productie van vleesextracten die in de vestiging in Antwerpen in potten werden verpakt.

Dat gebeurde onder de controle van een vertegenwoordiger van Liebig, wiens handtekening alle etiketten sierden. Liebig was op dat ogenblik een gevierd man van de wetenschap. Zijn naam stond borg voor kwaliteit. Het succes liet niet op zich wachten.

Liebig overleed tien jaar later, in 1873; Giebert één jaar daarna. Fray Bentos was toen al een florerend oord. Tegen 1885 verwerkte de firma er duizend tot twaalfhonderd runderen per dag. Op dat ogenblik had ze al 2,5 miljoen stuks vee verwerkt.

En ze beschikte over een grondgebied van 30.000 hectare met een permanente veestapel van 40.000 tot 50.000 runderen. Zelden was uit de terloopse ideeën van een hoogleraar in de scheikunde en de kordate aanpak van een spoorwegingenieur, zo’n enorm succes gegroeid.