Bosch

Een ‘rode’ ondernemer laat 90% van zijn winst naar een stichting voor algemeen nut afvloeien

ROBERT BOSCH (1861-1942)

Toen Robert Bosch, de fabrikant van de Boschbougie, 23 was, schreef hij aan zijn toekomstige vrouw : ‘Mijn religie is samengevat in het devies : “Wees rechtvaardig.” Mijn god is de mensheid, beter gezegd: het hele universum.

Als ik in een of ander opzicht een van mijn medemensen beledig, zondig ik. Het verwijt dat ik de armen beroof van hun god, de vergiffenis der zonden en de beloning na de dood, wijs ik van de hand.

Het eerste en grootste onrecht in de wereld is dat er armen en rijken zijn; elke mens kan door zijn geboorte aanspraak maken op alle goederen der aarde, of hij nu het kind van een bedelaar is of van een miljonair.’

Robert Bosch in 1928, 67 jaar oud Dat was in 1884. Zo gauw hij daartoe in staat was, gaf hij kleine bedragen weg, later grotere en uiteindelijk reusachtige sommen. Maar hij haatte de eerbetuigingen die daarbij hoorden.

In 1910 schonk hij aan de technische hogeschool van Stuttgart een miljoen mark voor een stichting ter bevordering van wetenschappelijk onderzoek. ‘Maak het voor mij pijnloos,’ zo zei hij, ‘door een eredoctoraat te koppelen aan een financiële activiteit breng je zo’n titel alleen maar in diskrediet.’ En de boeren van zijn geboortedorp kregen 10.000 mark voor een nieuw schoolgebouw, maar wel op straffe van een boete van 500 mark als het nieuws over de gift zou uitlekken.

Bij het begin van de Eerste Wereldoorlog stopte hij de burgemeester van Stuttgart 100.000 mark contant in de hand om het leed in de stad te lenigen. Thuisgekomen schreef de burgemeester hem een bedankbriefje.

Per kerende post kreeg Bosch een brief terug met de woorden : ‘Ik vind het zeer ongepast dat U Uw tijd verspilt met het rondsturen van bedankbriefjes. Ik mag aannemen dat U op dit ogenblik belangrijker dingen te doen hebt.’ De burgemeester wist niet goed hoe hij het met hem had.

En dat was de ervaring van de meeste mensen die in contact kwamen met Robert Bosch: een zeer eigenzinnige figuur, die er genoegen in scheen te scheppen om machtige mensen te beledigen. Hij liet een wereldconcern na waarvan 90% van het kapitaal was ondergebracht in een stichting voor algemeen nut.

Geen zitvlees

August Robert Bosch werd op 23 september 1861 als jongste zoon van twaalf kinderen geboren in Albeck bij Ulm. Zijn vader was een welgestelde herbergier, bierbrouwer en boer. Hij bezat zestig tot zeventig hectare akker, weideland en bos, een twintigtal koeien en zes tot acht paarden.

Albeck lag op een belangrijke handelsweg. Op zekere dag bleek dat de nieuwe spoorweg niet door Albeck zou lopen en vader Bosch besloot naar de stad te trekken, liever dan zijn herberg te zien verkommeren. Dat was in 1869. Met de jongste kinderen vestigde het gezin zich in Ulm.

De jonge Robert vond de school niet amusant. ‘Ik had er het zitvlees niet voor,’ zou hij later zeggen. De suggestie van zijn vader om bij een instrumentenmaker in de leer te gaan, volgde hij graag op. Zijn leermeester keek echter niet naar hem om, zodat hij drie jaar zijn tijd verlummelde.

Wanderjahre volgden.

Zijn 18 jaar oudere broer Karl voelde zich verantwoordelijk voor hem en gaf hem een opleiding tot koopman, nam hem mee naar een internationale elektriciteitsexpositie in München, bracht hem in de leer bij een man die in de Verenigde Staten vijf jaar voor Edison had gewerkt en schreef hem een semester in aan de technische hogeschool van Stuttgart.

In 1884 reisde hij naar de Verenigde Staten, waar hij in een bedrijf van Edison werkte, maar hij kon er zijn draai niet vinden: ‘Het stond mij, die met Amerika had gedweept, op den duur toch niet aan te leven in een land waar de hoeksteen van de rechtvaardigheid ontbrak, namelijk gelijkheid voor de wet.’

Daimler, Benz en Diesel

Eind 1886, 25 jaar oud, vestigde hij in Stuttgart een eigen bedrijfje met twee man personeel: een monteur en een leerling. Uit een advertentie van die dagen blijkt wat hij verkocht: telefoons, huistelegrafen en bliksemafleiders.

Hij bood installatie en herstel van elektrische apparaten aan en fijnmechanisch werk. Het jaar 1887 sloot hij
af met 66 klanten, onder wie 21 dokters. Het bleef, zoals hij later zei, lange tijd ein böses Gewürge, een vreselijk gesukkel. Vaak had hij op zaterdag niet genoeg geld om zijn mensen te betalen; een fruithandelaar in de buurt moest hem dan uit de nood helpen.

In de loop van datzelfde jaar kwam een kleine motorenbouwer bij Bosch aankloppen voor een magneetbougie, een ontstekingsmechaniek voor staande gasmotoren. In 1888 verkocht hij er acht van. De autoen motorenpioniers Daimler, Benz
en Diesel woonden niet zo ver af. Ze experimenteerden allemaal druk in die dagen en zochten contact met het kleine bedrijf waar die degelijke ontstekingen vandaan kwamen. Door de verhoging van het toerental moest de ontsteking met almaar meer raffinement worden vervaardigd.

Een van de knappe koppen met wie Bosch zich inmiddels had omringd, ontwikkelde in 1897 als eerste een magneetontsteking voor bewegende motoren.

Daimler gebruikte ze voor de in 1898-1899 ontwikkelde Mercedes, die alle wedstrijden glansrijk won. De Bosch-bougie werd bekend. In 1900 – het jaar waarin de eerste Zeppelin opsteeg, uitgerust met een Daimler-motor en een Bosch-bougie – telde het bedrijf 45 man.

In 1891 was de 15-jarige leerling Gottlob Honold in de fabriek gekomen: een echte uitvindersgeest. Hij ontwikkelde eind 1901 de eerste hoogspanningsontsteking. Hij zou tot bij zijn dood in 1923 voor alle zuivere uitvindingen – op de meest uiteenlopende vlakken – verantwoordelijk zijn.

De Grote Oorlog

De eerste roemrijke jaren van het bedrijf lagen tussen 1906 en 1914. De bougies werden overal verspreid waar auto’s rondreden. Bosch leverde het beste materiaal. De introductie op de Amerikaanse markt in 1906 was het begin van een ware triomftocht.

In 1905 telde de firma 261 werknemers, in 1912 waren er dat 4500. De 100.000 bougies van 1906 werden er twee miljoen in 1915. Voor dit laatste cijfer was de Eerste Wereldoorlog verantwoordelijk. Plots bleek hoe groot de rol van voertuigen en vliegtuigen in de nieuwe oorlogvoering was.

Bosch kon er niet mee leven dat hij geld verdiende aan de oorlog en het leed. Hij gaf het op grote schaal weg, eigengereid, niet zelden voor een liefdadig doel. Voor de stroom van bedelbrieven die vervolgens ontstond, richtte hij binnen het bedrijf een aparte dienst op.

Al veel eerder stond hij bekend als een sociale werkgever, altijd bedacht op optimale werkomstandigheden. Als een van de eersten voerde hij in 1906, lang voor de wetgever zou volgen, de achturendag in, de vrije zaterdagmiddag en naderhand alle denkbare moderne sociale voorzieningen.

Hij wou de beste producten en betaalde de hoogste lonen, de helft meer dan in zijn industrietak gangbaar was. Andere industriëlen zagen het met lede ogen aan, haatten hem erom.

Vermaard is de zin waarmee hij zijn loonbeleid uitlegde: ‘Ik betaal geen hoge lonen omdat ik veel geld heb, ik heb veel geld omdat ik hoge lonen betaal.’ Tussen de vaste vrije dagen die hij in 1906 invoerde, stond na paasmaandag en hemelvaartsdag heel opvallend ook 1 mei.

Uit die tijd dateert zijn bijnaam ‘de rode Bosch’.

In 1912 reisde hij met zijn vrouw en zijn zoon Robert junior, die aan multiple sclerose leed, naar de Verenigde Staten. Bosch hield verschrikkelijk van zijn enige zoon in wie hij de interesses uit zijn eigen jeugd weerspiegeld zag: dieren plantkunde.

In 1913 richtte hij een atelier op voor de driejarige opleiding van leerlingen, los van de fabriek. Hij herinnerde zich zijn eigen nutteloze leerlingentijd en was bang dat de jongelui te beperkt zouden blijven in hun vaardigheden als ze meteen in het bedrijf kwamen.

Vóór de Eerste Wereldoorlog was 88% van de productie naar het buitenland gegaan. Na 1914 bleken zijn grootste klanten ineens in vijandelijk gebied te wonen. Zijn fabrieken in het buitenland werden in beslag genomen, zijn patenten geschonden. De spanningen maakten hem ziek.

In 1917 werd hij voor geruime tijd geveld door een hartvergroting waarmee hij nog jarenlang zou sukkelen. Voor het grote publiek bleef hij onzichtbaar.

Kranten die om een foto vroegen, legde hij per brief omstandig uit dat zo’n foto geen zin had.

Voor een bezoek van de koning van Württemberg weigerde hij het protocollaire rokkostuum aan te trekken. ‘Ik wil niet voor het oog van mijn arbeiders in een carnavalspak door de fabriek stappen,’ zei hij. Het bezoek vond uiteindelijk niet plaats.

Het bedrijf bewaart in zijn archieven vandaag nog altijd brieven met bijvoorbeeld de uitnodiging voor een receptie waarop de invité in de kantlijn heeft geschreven : ‘Ik heb een ziekelijke afkeer van zulke inbreuken op mijn persoonlijke vrijheid.’

Zo was Robert Bosch. Het rebelse, het dwarse, het oppositionele, het niet-erkennen van gezag, dat had hij van zijn vader, zo zeggen biografen. Het sociale zintuig kwam van zijn moeder.

Alleen op zijn talent als jager, zijn scherp oog en vaste hand, was hij openlijk trots : ‘Ik heb met zes patronen van een afstand van 300 meter zes herten geveld,’ schreef hij in 1941, 79 jaar oud. ‘Maar vertel dat niet aan uw Zwitserse vrienden want die geloven dat alleen als ze het met eigen ogen hebben gezien.’

Diversificatie

Na de Grote Oorlog volgden moeilijke jaren. De oude vijanden troffen speciale maatregelen tegen Duitse producten. Een moeizame strijd volgde om de bezittingen en de markten in het buitenland te heroveren. Duitsland zelf lag in puin en raakte pas na 1924 uit de inflatiespiraal.

Niettemin was bij de eerste naoorlogse renwedstrijd, die in Zwitserland werd gehouden, 90% van de voertuigen met een Boschbougie uitgerust.

Het bedrijf diversifieerde. Uitvinder Honold had al eerder autoverlichting met parabolische metaalspiegels ontwikkeld, montage van lampen aan de achterzijde bedacht en reducering van verblinding bewerkstelligd. Van een Amerikaanse uitvinder werden de elektrische starters gekocht.

De onderzoeksafdeling, altijd in de watten gelegd, volgde met de beroemde Bosch-claxon (verkoop 1926: één miljoen stuks), het elektrisch fietslicht, de elektrische ruitenwisser (1926), de verbinding tussen remlicht en rempedaal (1928), later de dieselinjectiepomp.

In de jaren dertig volgen ijskasten en radio’s en werd er zelfs met televisie geëxperimenteerd. Het spreekt haast vanzelf dat Bosch de complete elektrische uitrusting voor de nieuwe Volkswagens kon leveren.

In 1921, toen hij op reis was in Zuid-Amerika, overleed zijn zoon, 30 jaar oud. De oude Bosch had tien jaar lang afscheid van hem genomen. Zijn vrouw, die al die tijd aan het ziekbed had gestaan, kwam het overlijden niet te boven en kwijnde weg. Bosch liet zich scheiden en hertrouwde in 1926.

In 1928 werd opnieuw een zoon geboren die de naam Robert kreeg.

Hitler

Bosch zou zich in de politiek van de woelige jaren dertig nooit binden. Nooit gaf hij ook maar één mark aan een of andere partij. Hij had een afkeer van de rechtse burgerlijke partijen, het Duitse nationalisme. Zoveel als mogelijk was haalde hij de banden met Frankrijk aan.

De stichters van de Paneuropese Unie – een verre voorloper van de Verenigde Naties – konden rekenen op een cheque van 300.000 mark.

Toen Hitler aan de macht kwam verstarde hij van angst: ‘Het lijkt mij niet uitgesloten dat het een van mijn vijanden lukt mij in een concentratiekamp te doen belanden,’ schreef hij. Aan een ontmoeting van Hitler met de topindustriëlen van het land weigerde hij deel te nemen.

Hij wilde onder vier ogen in woord en wederwoord zijn plannen voor een Europese Unie aan de kanselier voorleggen.

Hitler riep hem eind 1933 bij zich en vroeg : ‘Hoe luiden uw wensen ?’ Bosch was boos en antwoordde : ‘Ik heb dit onderhoud niet gevraagd.’ Om dan in zijn ruwe stijl van Zwabische boer te vervolgen : ‘Op die stoel van Bismarck moet u zichzelf wel heel raar voelen.’ Hitler veerde overeind, trommelde woedend met zijn vingers op het vensterraam en liet hem niet meer aan het woord komen.

Later zou Bosch minachtend zeggen: ‘Dat wil een staatsman zijn en weet niet eens wat rechtvaardigheid is.’

Naderhand werd een vriend van Bosch er door de nazi’s op aangesproken dat de geheimzinnige industrieel Hitler ‘een gek’ zou hebben genoemd. Op het uitbreken van de oorlog reageerde hij met de woorden : ‘Ik ben blij dat het zover is.

Dit is de enige manier om die bandieten kwijt te raken.’ En : ‘Er zal toch zeker wel één soldaat te vinden zijn die Hitler uit de weg wil ruimen.’

Gekscherend zei hij af en toe dat hij makkelijk 100 kon worden. Hij besteedde grote zorg aan zijn fysieke conditie en zijn geheugen bleef uitstekend.

Ooit was het in staat geweest 1500 arbeiders te herkennen en hun functie te onthouden. ‘Mijn geheugen is bijna zo slecht als dat van jonge mensen,’ zei hij soms.

Hij had de financiële structuur van zijn bedrijf in die tijd zodanig gewijzigd dat de winsten voor 90% alleen voor algemeen nut konden worden aangewend.

Grootscheepse reclame had hij altijd geschuwd ‘om niet de interesse van het elektrotechnisch groot kapitaal te wekken.’ De constructie was erop bedacht
dat zijn schepping na zijn dood niet in de ‘industrieelkapitalistische mallemolen’ verzeild zou raken. Het Bosch-concern heeft die structuur tot op de dag van vandaag in stand gehouden.

In 1940 liet hij in Stuttgart een groot ziekenhuis voor homeopathische en biologische geneespraktijken bouwen. Hij genoot ervan zijn tweede Robert te zien opgroeien. In september 1941 vierde hij zijn 80ste verjaardag.

In november kreeg hij een middenoorontsteking, waaraan hij kennelijk niet voldoende aandacht besteedde. In maart 1942 had de kwaal zich zo fel uitgebreid dat geen hulp nog kon baten. Een paar dagen later was hij dood.
Hij had op dat ogenblik 40.000 man aan het werk.

Voor de geallieerden waren de Bosch-fabrieken een belangrijk militair doelwit. ‘De verwoesting van zijn levenswerk werd hem bespaard, dat was gods genade,’ aldus Theodor Heuss, de latere bondspresident, die de hele oorlog aan Bosch’ biografie Bosch in 1890, op weg naar zijn klanten zou werken.

Het geheim van Bosch was niet alleen zijn oog voor precisie, zijn drang om alleen het beste te produceren. Hij had een buitengewone gave om zich met getalenteerde mensen te omringen en kon makkelijk delegeren.

Robert Bosch, hij heeft het zelf zo vaak moeten herhalen, heeft nooit iets uitgevonden: hij wist de mensen te ontdekken die dat voor hem deden.