Eponiemen: de ondergeschoven kinderen van de etymologie

Kijken in woorden is als sterrenkijken. Je ontdekt telkens weer nieuwe exemplaren,nieuwe verbanden en verborgen facetten.

Sla je het vierdelige Etymologisch woorden-boek van het Nederlands (EWN) willekeurig open, bijvoorbeeld op pagina 100 (deel 1),dan vind je het woord ‘admiraal’, verkort uit het Arabisch.

Bladzijde 400 bevat het lemma ‘bulldozer’, afgeleid van een woord dat in het Engels oorspronkelijk ‘iemand die negers afranselt’ betekende.

Op bladzijde 150 (deel 2) tref je het woord ‘gabber’ aan, ‘jongere die van muziek houdt’, een woord dat uit het Bargoens komt. Op blad-zijde 350 (deel 3) vind je het woord ‘mikado’, ‘spel met stokjes’, ontleend aan een van de titels van de Japanse keizer.

Bladzijde 450 (deel 4) bevat het woord ‘tatoeëren’, dat uit het reisjournaal van de Britse kapitein James Cook komt en is afgeleid van het woord ‘tattow’ van ‘tatau’, Tahitiaans voor ‘teken’, ‘schildering’. Vijf willekeurige woorden op vijf willekeurige bladzijden.

Vijf bruggetjes ook naar de talloze Arabische woorden in het Nederlands, naar het diepe zuiden van de Verenigde Staten, naar de talloze woorden uit het Bargoens en het Japans (denk aan ‘japon’) of naar de spectaculaire ontdekkingstochten van kapitein James Cook en zijn verblijf op Tahiti.

Zo eenvoudig is het eigenlijk. “Woorden zijn tekens aan de wanden van grotten en holen, die onze levens zijn.Sporen van mensen die voorbijgingen en opgelost zijn in de lucht, of veranderd zijn in een plein, een standbeeld, een sigarenmerk, een vliegtuig”, schreef Harry Mulisch ooit (Mulisch 1961).

Van die vernoemingswoorden – eponiemen, geoniemen of merk-namen – telt het Nederlands er vele duizenden. De merknamen zijn in aantal sowieso onbeperkt.

Eponiemen zijn zeer geschikt om er verhalen mee te vertellen, om er geschiedenis aan op te hangen, om er vergeten mensen mee tot leven te brengen en om woorden een gezicht te geven.

Mensen zijn ergens geboren, hebben ergens gewoond, zaten ingebed in hun tijd en misschien liggen ze ook wel ergens begraven,zodat je ze nog een groet kunt brengen, zo je wilt.

Overigens geeft de manier waarop ze in een woord zijn gekropen een goed idee van hoe taal werkt en van hoe woorden kunnen ontstaan. Op talloze manieren namelijk.

Het kan een Duitse of een Schotse ingenieur zijn (respectievelijk ‘diesel’ en ‘watt’) of een Schotse wegenbouwer (‘maca-dam’) of ook wel een figuurtje uit een tekenfilm (‘Calimero’), een dier (‘jumbo’)…

Enlaat nu uitgerekend de eerste vier eponiemen die me hier te binnen schieten geen vanalle in dat bijna drieduizend pagina’s tellende EWN staan.

Zelfs de ‘kop-van-jut’ heeft het niet gehaald, noch als ‘kop’, noch als ‘Jut’, allebei in Van Dale. Kir misschien? Van kir royal? Neen. Carpaccio? Het bewijst ten overvloede dat eponiemen in de taalkunde ondergeschoven kinderen zijn. En daar zijn verklaringen voor.

Eponiemen hebben vanuit etymologisch standpunt geen interessante, diepliggende wortels en gaan niet terug op het Indo-Europees of het Proto-Indo-Europees. Je stuit als taalkundige op een achternaam, en daar houdt de zoektocht op.

Je slaat je spade in de bodem en je vindt alleen wat lichaamsresten.Recalcitrant (wel degelijk in het EWN opgenomen) zijnde zou je ook kunnen stellen:op dat ogenblik begint een nieuwe zoektocht.

Er is namelijk geen dankbaarder onderwerp dan een woord met een gezicht, zowel didactisch, educatief als journalistiek. Een goed verhaal is nooit ver weg.Een voorbeeld.

Zo is er over het leven van Israël David Kiek (1811-1899), de fotograaf naar wie het kiekje is genoemd, betrekkelijk weinig geschreven (Leijerzapf 1997).

Het verrast altijd dat het woord niets van doen heeft met het werkwoord ‘kijken’. Zijn biografie brengt ons in Leiden, de oudste universiteitsstad van Nederland. En Kiek had wel degelijk veel met studenten te maken.

Wat waren die almanakken van het ‘Leidsch Studenten Corps’, waarin Kiek wordt beschreven? Hoe zag het studentenleven er in de tweede helft van de 19deeeuw uit? Waarom waren er zoveel studenten uit Zuid-Afrika?Want ook zij namen het woord ‘kiekje’ mee naar huis, zoals al de andere studenten.

Wat voor een fotograaf was Kiek? Een portraiteur. Welke technieken gebruikte hij?Hoe oud was de fotografie toen eigenlijk? Waar kwam die nieuwe kunst vandaan? Wie was de uitvinder ervan? En wie was er fotograaf? De begrafenisondernemer, de ‘tand-meester’ en de huisverver, zo blijkt.

Hoezo? Hoe zag zo’n foto er in die tijd uit, hoe moest hij eruitzien? Jawel, alsof het beeld voor de eeuwigheid was bestemd, net zoals een schilderij. Hoe was het dan mogelijk dat Kiek ook nog ‘de waan van de dag’ vastlegde, het vluchtige moment; was een foto daar niet te duur voor?

Of waren de studenten per se vermogend?

Waarom signeerde Kiek deze foto’s niet en andere wel? Kiek was een Jood. Had dat er iets mee te maken misschien? Hij stond eerder ingeschreven als kistenmaker, schrijnwerker, ‘vleeschhouwer’, loterij collectant en handelaar. Sigarenhandelaar?

Waarom woonde hij in Leiden gedurende een lange tijd in het Levendaal? Hoe hecht waren die Joodse gemeenschappen in Nederland in de 19deeeuw? Hoe gebruikelijk was het dat een Joodse vader zijn vijf zonen tot fotograaf opleidde en ze dan de wereld in stuurde, tot in Parijs toe?

Het Parijs van autobouwer André Citroën, kleinzoon van de Amsterdamse diamanthandelaar Citroën. Mag het iemand verwonderen dat bij tien van Kieks kleinkinderen als plaats van overlijden Sobibor, Bergen-Belsen en Auschwitz vermeld staat?

Allemaal vragen rond het eenvoudige leven van een arme fotograaf uit Leiden die met zijn achternaam haast terloops in een Nederlands woord is gekropen.

En zo loopt het met al die ‘ondergeschoven kinderen’: met de Italiaanse renaissanceschilder Carpacciodie in een Italiaans gerecht opduikt, met Félix Kir – van de kir royal – een excentrieke dorpspastoor, weggelopen uit een Don Camillofilm, met dat verschil dat hij het priesterschap en het burgemeesterschap in zich verenigde, met de burgemeester van Dijon die 5.000 mensen uit concentratiekampen weghaalde en in de Koude Oorlog goede maatjes was met de Sovjet-Russische president Chroesjtsjov en met de Duitse ingenieur Rudolf Diesel die op 29 september 1913 in Antwerpen op een boot richting Engeland stapte en nooit in Harwich aankwam.

Had de Duitse geheime dienst hem vermoord? Om van Hendrik Jut maar te zwijgen.Eponiemen bestaan in alle maten en gewichten en houden verband met alle vakken:economie (wie waren Dow en Jones?), natuurkunde (wat doen die hertzaanduidingenop alle computers?), scheikunde (Mendeljevs tabel)…

Daarnaast heb je namen van fruit (clementijntjes uit Algerije en granny smiths uit Australië), en van planten (de schrandere Hortense van de hortensia’s), wiskundige begrippen (Fibonacci) en vele wonderlijke woorden die nauwelijks te klasseren zijn, van ‘teddybeer’ tot ‘jumbo’.

Boeiende levens aan de hand waarvan stukken en stukjes geschiedenis kunnen worden opgedolven; verhalen die beklijven omdat ze de woorden, de woordkunde, uit de abstractie halen. Ze maken attent op het woord als dusdanig.

Op alle woorden, zeg maar: er zijn telkens weer nieuwe exemplaren, nieuwe verbanden en verborgen facetten. Net als kijken naar de sterren.

Taalunie.org 2010