Serendipiteit 250 jaar
De kunst om iets te vinden waar je niet naar op zoek bent
Op 28 januari 1754, binnenkort exact 250 jaar geleden, schreef de Britse auteur, kunstkenner en politicus Horace Walpole een brief aan een vriend in Florence waarin hij het woord serendipity/serendipiteit in de wereld zette. Hij verwees daarbij naar het verhaal van de drie prinsen van Serendip ‘die voortdurend ontdekkingen deden, per toeval of uit schranderheid, van dingen waar ze niet naar zochten.’
Sindsdien is het woord een eigen leven gaan leiden. Het toeval heeft de mensheid al altijd gefascineerd. Stel nu dat je het geluk met enig talent en wat intelligentie in gewenste banen kunt leiden. Kun je het toeval misschien afdwingen? Wat schreef Louis Pasteur ook weer: ‘Le hazard ne favorise que les esprits préparés’, ‘Het toeval begunstigt alleen de voorbereide geest.’ Geen wonder dat het woord serendipiteit ook na 250 jaar nog zo’n magische kracht bezit.
Sociologen zoals Robert K. Merton hebben aan de oorsprong van ontdekkingen en uitvindingen hun halve leven gewijd. Zou je ze misschien kunnen programmeren? De Groningse onderzoeker Pek van Andel gaat er prat op de grootste collectie serendipiteitgevallen ter wereld te hebben verzameld. Hij heeft ze als mooie, zeldzame vlinders opgespeld en een typologie van dertig soorten aangelegd. De KNCV (Koninklijke Nederlandse Chemische Vereniging) heeft een serendipiteitprijsvraag uitgeschreven waarbij je 1000 euro kunt winnen. In de Verenigde Staten heb je Serendipity shops, golfterreinen (vind je de verloren bal als je naar wat anders zoekt?) én naturistenkampen. Je hebt een bijbelbeweging die uitgaat van toevallige tekstpassages, je had de Serendipity Singers, een film (met John Cusack en Kate Beckinsale) en er is de actrice Janet Leigh die ‘serendipity’ als hobby vermeld. Toen de BBC Radio onder impuls van rockzanger Bob Geldof eind vorige eeuw een peiling deed naar het meest geliefde woord van de Britse natie, scoorde serendipity bij de 15.000 inzender het hoogst. ‘Love’ en ‘peace’ volgden op nummer 3 en 4. Het kan niemand nog verbazen dat de Google-zoekmachine in 0,6 seconden 394.000 vindplaatsen te zien geeft. Serendipiteit alom. En dat alleen maar omdat Horace Walpole - ‘the king of correspondence’ - 250 jaar geleden in een van zijn duizenden brieven, verzameld in 48 boekdelen, haast terloops een enkele keer een nieuw woord liet vallen. Waar gaat het eigenlijk over?
Tijdens zijn ‘grand tour’ - die in de 18de eeuw elke Brit na zijn studie hoorde te maken - verbleef Walpole tussen 1739 en 1741 onder meer vijftien maanden in Florence. Daar raakte hij in de ban van een portret van Bianca Capello, de vrouw van een van de De Medici’s. Dertien jaar later was zijn vriend Horace Mann, Brits gezant aan het hof van Florence, erin geslaagd het voor hem te kopen. Walpole wou het in zijn oorspronkelijke staat herstellen en ging op zoek naar het wapen van de Capello-familie om het op de nieuwe lijst aan te brengen. Door een toeval had hij het ontdekt. Hij schreef in zijn brief van 28 januari 1754 aan Mann: ‘Deze ontdekking is inderdaad bijna van het soort dat ik serendipiteit noem, een heel krachtig woord dat ik - omdat ik niets beters te vertellen heb - je zal proberen uit te leggen. Je zult het beter begrijpen als ik je de herkomst vertel. Ik las ooit een gek sprookje met de naam ‘De drie prinsen van Serendip’. Als de hoogheden op reis waren, deden ze voortdurend ontdekkingen, per toeval of uit schranderheid, van dingen waar ze niet naar zochten. Zo bijvoorbeeld ontdekte een van hen dat een muilezel die eerder was voorbijgekomen, blind was aan het rechteroog namelijk omdat het gras aan de linkerzijde was weggevreten, hoewel het gras aan de linkerzijde van de weg slechter was dan dit rechts. Versta je nu serendipiteit? ‘
Mann moet wel in de war zijn geweest: Walpole had wel degelijk naar het wapen van de Capello’s gezocht. Misschien had hij het gevonden toen hij wat anders zocht. Hij houdt met het relativerende ‘bijna’ ook wel een slag om de arm. En als Mann het hele verhaal van de drie prinsen had gekend, dan zou hij ook geweten hebben dat de drie prinsen helemaal niets hadden gezocht, dat het goede waarnemers waren geweest, dat ze à la Sherlock Holmes goed konden deduceren.
De dubbelzinnigheid in deze valse start van het woord serendipiteit is altijd blijven bestaan. Kon je ook van serendipiteit spreken als je vond naar wat je had gezocht, maar dan op een andere plaats of op een ander ogenblik? Want in haar zuiverste vorm: ‘De gave om door toevalligheden en intelligentie iets ontdekken waar men niet naar op zoek was’ komt serendipiteit echt niet zo vaak voor.
De drie prinsen
De verhalen rond de drie prinsen van Serendip hebben als basis ‘De acht paradijzen’ van de Perzische dichter Amir Khusrau van Delhi (1253-1325). Ze kwamen in het westen door een vrije Italiaanse vertaling die in 1557 in Venetië verscheen. Walpole kreeg er in zijn jeugd kennis van door een in Amsterdam verschenen Franse vertaling uit 1721. Van 1766 dateert de eerste Nederlandse vertaling: ‘Persiaensche Geschiedenissen, of de Reize en Wonderbaere Gevallen der drie Prinsen van Serendib’. Ze spelen zich af in Perzië onder het bewind van Bharam Gur, koning van circa 418 tot 438. Serendip/Serendib is de oude Arabische benaming voor Sri Lanka. Het betekent letterlijk ‘eiland van goud’ of ‘eiland van edelstenen’.
Het geheel vormt een raamvertelling helemaal in de sfeer van de verhalen van Duizend-en-een nacht. Koning Giafferis, Giafer of Jafer laat zijn zonen opvoeden door de knapste koppen van het land. Achteraf test hij hun wijsheid: hij kondigt aan dat hij zich in een klooster wil terugtrekken en dat een van zijn zonen hem moet opvolgen. De drie zonen weigeren dit echter. Hij is opgetogen over hun wijze reactie en vindt dat ze nog wat praktische ervaring moeten opdoen. Hij wendt boosheid voor en stuurt hen in verbanning. Op hun reis arriveren ze in het land van keizer Beramo (Bahram). Ze komen onderweg een man tegen die op zoek is naar zijn kameel (geen muilezel zoals Walpole zich meende te herinneren). Ze weten zoveel details over het hun onbekende dier, dat de kameeldrijver vreest dat zij hem hebben gestolen. De kameel, zo wisten de prinsen, was blind aan een oog: hij had het slechte gras aan een kant van de weg gegeten, terwijl dat aan de andere kant veel beter was. Hij miste een voortand: dat bleek uit het gekauwde gras dat hij had laten vallen. En hij mankte: makkelijk te zien aan de sporen. Bovendien droeg hij aan de een zijde een lading boter: de boter had gelekt en vele mieren aangetrokken; en aan de andere kant een lading honing: daar krioelde het van de vliegen. Voorts waren ze zeker dat de kameel bereden werd door een zwangere vrouw. De berijder van de kameel was afgestegen, dat kon je zien aan de voetsporen, en hij/zij had geplast, dat kon je zien aan de urine. Omdat een van de prinsen van de urinegeur opgewonden raakte, moest het een vrouw zijn geweest. En omdat ze zich met haar handen had opgedrukt was ze ongetwijfeld zwanger. Tot zover de slimme deducties van de drie prinsen, die met serendipiteit duidelijk weinig uitstaans hebben. Niettemin brachten ze Walpole op het idee het woord te bedenken.
Later helpen de drie gasten uit Sri Lanka de keizer nog bij zijn zoektocht naar de vrouw van zijn dromen, waarbij door zeven vertellers op zeven kastelen zeven verhalen worden verteld. Eens deze klus geklaard, keren de prinsen naar huis terug. Het worden wijze heersers.
Intro voor extra’s
‘Toevallige ontdekkingen’ kunnen vele schakeringen vertonen. Röntgen en Perkin bijvoorbeeld zochten wel degelijk het ene en vonden het andere, namelijk iets dat ook binnen het bereik van hun collega’s lag. Kwolek vond in het algemeen wel wat ze zocht, namelijk een nieuw materiaal, maar ze had er geen flauw idee van wat het moest zijn. Spencer zocht iets - de massaproductie van de radarmagnetron - en vond die ook. Eerst achteraf ontdekte hij nog wat anders. Fry en Bénédictus ontdekten iets moois door associatie met gegevens in hun geheugen. Laënnec en Colt hadden vooral goed geobserveerd.
Wilhelm Röntgen: röntgenstralen (410 w.)
De Duitse natuurkundige Wilhelm Röntgen (1845-1923), die zestien jaar van zijn jeugd in Apeldoorn en Utrecht doorbracht, was in 1895 directeur van het Instituut voor Fysica in Würzburg. Beneden in het gebouw was zijn laboratorium, boven woonde zijn vrouw Berta met een nichtje dat het kinderloze echtpaar had geadopteerd. Op de avond van 8 november 1895 bestudeerde hij de werking in luchtledige buizen van wat toen kathodestralen heetten, in feite elektronenbundels die ontstaan bij elektrische ontladingen. Hij had alle lichten gedoofd en de buizen compleet met zwart karton afgedicht om beter te zien wat er gebeurde, toen hij merkte dat een eind verderop een fotografische plaat fluorescerend reageerde. Zeven weken lang sloot hij zich ‘s nachts in zijn laboratorium op om te achterhalen wat er aan de hand was. Berta vond het maar niks dat hij zijn maaltijden in het laboratorium gebruikte en ze werd echt wanhopig toen hij ook nog zijn bed naar het gelijkvloers verhuisde. Om de huiselijke vrede te herstellen - ook al met het oog op het naderend kerstfeest - nodigde hij zijn vrouw op 22 december uit om eens te komen kijken. In een tijd van vijftien minuten maakte hij een radiografische opname van haar hand, de eerste uit de geschiedenis. Op die foto zijn het handskelet en de trouwring van Berta goed te zien. De foto ging de wereld rond. Röntgen had de röntgenstalen ontdekt die hij zijn hele leven hardnekkig x-stralen zou noemen. Vele grote geleerden meldden zich in de maanden daarna om te vertellen dat ook zij gezien hadden dat er met die platen wat aan de hand was. De ene had ze boos naar de fabrikant teruggestuurd, een andere had zijn assistent opdracht gegeven de platen uit de buurt van de buizen te houden, nog een andere had het fenomeen gewoon genegeerd. Alleen Röntgen had er bij ‘stilgestaan’.
Röntgen werd wereldberoemd maar hij speelde het spel van de roem niet mee. Hij nam geen patent op zijn uitvinding, gaf een enkel interview weg - waarin hij niets zei - en hield een enkele lezing. Hij weigerde een adellijke titel. Hij aanvaardde in 1901 weliswaar de eerste Nobelprijs voor natuurkunde, maar in Stockholm hield hij geen dankrede en het geld schonk hij prompt aan zijn universiteit. Op zijn begrafenis zei de Amerikaanse radioloog Grashey: ‘Een engel uit de hemel heeft deze wonderbare straling aan de geleerden overhandigd’. Had ze nog geleefd, dan had Berta Röntgen hem zeker tegengesproken.
William Perkin: de eerste chemische kleurstof (391 w)
Vóór de ontdekking van William Perkin kwamen kleuren alleen uit de natuur voort, uit planten of dieren. De kleurstoffen waren schaars, duur en nauwelijks wasbestendig, alleen rijke mensen konden zich kleuren veroorloven. William Perkin, het zevende kind van een timmerman uit East End, was op die memorabele dag in 1856 nog maar achttien jaar oud. Zijn scheikundeprofessor zocht al jaren naar een chemische manier om kinine na te maken. Kinine, het enige middel tegen malaria, werd uit de bast van een zeldzame boom gehaald en was daardoor onbetaalbaar.
Perkin had op een zolderkamertje thuis een armoedig amateur-laboratorium ingericht, zonder stromend water, zonder verwarming en alleen verlicht met een ouderwetse spirituslamp. Toen op een avond tijdens de paasvakantie van 1856 een van zijn kinineproeven alweer mislukte, bleef een roodachtig poeder over. Zijn collega-studenten kieperden dit soort restanten al jaren in de vuilnisbak, maar Perkin werd nieuwsgierig. Hij herhaalde de test in combinatie met aniline, een pas ontdekte stof afkomstig uit koolteer. Zo verkreeg hij een volmaakt zwart product. Hij droogde het, zuiverde het en dat gaf na aanlengen met wijnspiritus een mooi paars poeder. Hij doordrenkte een strook zijde met de schitterende kleur, gaf ze een stevige wasbeurt en stelde vast dat ze haar kleur behield. Perkin had de eerste synthetische kleurstof ontwikkeld.
Met het plan de stof industrieel te produceren nam hij er in augustus 1856 patent op. De vloeibare aniline die Perkin nodig had, was nog zeldzaam; de jongeman had nog nooit een voet in een fabriek gezet; hij wist niets af van het verven van textiel en hij bezat geen geld. Hij overwon alle hindernissen en was op zijn 21ste schatrijk. Het hielp dat koningin Victoria al in 1858, bij de trouw van haar dochter, ‘mauve’ droeg. Op zijn 36ste ging hij met pensioen. De rest van zijn leven - hij werd 69 - wijdde hij aan chemische experimenten en aan het verspreiden van het woord Gods.
Toen de Britse chemici in 1906, een jaar voor zijn dood, zich opmaakten om het 50-jarige bestaan van de eerste chemische kleurstof te vieren, bleek Perkin tot hun verwondering nog in leven te zijn. Heel even werd hij als stichter van de chemische industrie op het podium gezet. De oude Perkin was stomverbaasd dat hij dit nog leuk vond ook. De wereld telde toen al tweeduizend chemische kleuren.
Stephanie Kwolek: kevlar
Stephanie Kwolek, in 1923 in Pennsylvania geboren, wilde graag huisarts worden. Ze behaalde eerst een graad in de chemie en biologie, maar ze had geen geld om verder te studeren. Ze dacht: ik werk eerst een paar jaar in de chemie, gewoon voor het geld, en zet mijn artsenstudie later verder. Zo kwam ze in 1946 bij de chemiereus Du Pont de Nemours terecht. De kleine dame bleek een fantastische onderzoekster te zijn. Zelf vertelde ze daarover: ‘In de loop der jaren bleek dat ik dingen zag, die andere mensen niet zagen. Als een onderzoek niet liep zoals ik het verwachtte, gaf ik nooit op, ik vocht terug, ik bleef zoeken en proberen om te zien of er toch niet iets was.’
Zo ging het ook op die rare dag in 1964. Haar ploeg had de opdracht gekregen naar een taaiere kunststof te zoeken om autobanden mee te verstevigen. Maandenlang combineerde Stephanie stoffen, mengde ze, verhitte ze en koelde ze af. Op zekere dag ontstond in haar potjes een vreemde, troebele, melkwitte vloeistof in plaats van een heldere zoals het hoorde. Ze liep naar de man die een machine had om de mengsels tot draden te trekken. Maar die zei: ‘Er zitten stukjes in, die gaan mijn machine doen verstoppen.’ Ze haalde de stukjes eruit en bleef de man aan zijn oren zeuren om de spintest te doen. Uit ellende gaf hij toe en zie daar: je kon er wel degelijk draden van trekken. Later bleek dat Stephanie Kwolek een wonderbaarlijke materiaal had ontdekt: een stof die vederlicht was en vijf keer sterker dan staal. Onder water zelfs 20 keer sterker dan staal. De stof kreeg de naam kevlar, vandaag het bekendst om het gebruik ervan in kogelvrije vesten. Hoewel er inmiddels meer dan 200 toepassingen van bestaan, zo bijvoorbeeld in radiaalbanden, ski’s, en veiligheidshelmen.
Stephanie Kwolek bleef bij Du Pont totdat ze in 1986 met pensioen ging. Tegenover haar in de straat woont een man die voor de FBI werkt. Af en toe komt hij bij haar aanbellen; hij heeft dan altijd een politieman mee van wie het leven kort voordien door een kogelvrij vest is gered. En dan zegt de FBI-man: ‘Kijk, hier is de vrouw die je leven heeft gered.’ Kwolek: ‘Het gevoel echt iets tot het welzijn van de mensheid te hebben bijgedragen, is voor mij belangrijker dan miljoenen dollars.’ In 1995 werd ze in de Amerikaanse Inventors Hall of Fame opgenomen, als vierde vrouw onder 119 uitvinders. Naast grote heren als Thomas Edison, Henry Ford, Graham Bell en Louis Pasteur.
Percy Spencer: koken met microgolven (368 w)
Percy Le Baron Spencer (1894-1970) was een weesjongen die door zijn als weefster rondtrekkende tante in de Amerikaans staat Maine werd opgevoed. Op zijn twaalfde schoot hij zijn eerste hert. Vijftig jaar later zou hij zich nog herinneren hoe hij het dier van zijn ingewanden ontdeed en in stukken sneed. Zijn hele leven werd hij geïdentificeerd met jagen, schieten, vallen zetten, vissen, de wilde natuur. In 1925 kwam hij als eenvoudige seizoenarbeider bij de firma Raytheon in dienst. Spencer had een speciaal brein waarmee hij voor alles en nog wat oplossingen wist te verzinnen. Naijverige collega’s die dachten dat zijn geheim in zijn koffertje zat, vonden daarin alleen … twaalf flessen whisky. Het was nu eenmaal de tijd van de Drooglegging.
Door Spencers toedoen haalde Raytheon in 1940 de Britse order binnen om op grote schaal magnetrons voor radarinstallaties tegen Duitse luchtaanvallen te produceren. Met zijn nieuwe productietechniek liepen er in de fabriek per week 10.000 magnetrons - als worstjes - van de band. Het was snel duidelijk dat de magnetrons warmte afgaven. In de winter van 1942 was het fris in de ateliers en de arbeiders warmden hun handen aan de vreemde buizen. Het was de zendbuis die op zekere dag in Spencers zak een snoepje - of was het een stuk chocolade? - deed smelten. Spencer had de scherpzinnigheid te bedenken dat de microgolven de juiste lengte hadden om watermoleculen in voedsel zozeer in beweging te brengen dat ze warmte veroorzaakten. Met een magnetron moest je kunnen koken. Al in 1942 klopte hij met zijn suggestie bij de directie aan. Hij sprak er vaak over, liep erover te piekeren. Na de oorlog viel de productie van de radarmagnetron stil, een nieuw product was welkom. Spencer gaf voor de directie met behulp van een eenvoudig ei een kleine show. En hoewel het ei uiteenspatte en de heren onder de eierstruif kwamen te zitten, waren ze bereid miljoenen dollar in het project te stoppen. Op 8 oktober 1945 vroeg Spencer patent aan. In 1947 kwam de Radarange, de eerste reuzengrote magnetron op de markt. Het zou nog twintig jaar duren voor de Japanse ingenieur Keishi Ogura erin slaagde een tafelmodel te ontwikkelen.
Kleintjes extra
X Post-it notes: toen Art Fry in 1974 een oplossing zocht voor het probleem dat de bladwijzertjes altijd uit zijn gebedenboek vielen, dacht hij op zekere dag - in de kerk - aan een mislukte, zwakke soort lijm die zijn collega Spencer Silver bij 3M vijf jaar eerder had ontwikkeld.
X Veiligheidsglas: toen de Art-Déco-kunstenaar Edouard Bénédictus in 1909 enkele dagen na elkaar in de krant berichten las over doden die vielen door het stukspringen van een autovoorruit, herinnerde hij zich plots een voorval in zijn laboratorium. Een fles die op de grond viel, ging niet stuk omdat zich binnenin door uitdroging een vlies van collodium had gevormd.
X Stethoscoop: toen de Franse dokter René Laënnec in 1806 met zijn oor de hartslag van een zwaarlijvige patiënte niet kon horen, dacht hij meteen aan een wandeling door de tuinen van het Louvre: twee jongens hadden daar via de uiteinden van boomstammen elkaar met kloppen signalen doorgegeven.
X Viagra: toen onderzoekers van het farmaceutische bedrijf Pfizer in 1993 de stof sildenafil uittestten bij mensen met hart- en vaatzieken, bleek dat de mannelijke proefpersonen als nevenverschijnsel spontane erecties kregen.
X Revolver: toen de 16-jarige Samuel Colt in 1830 als scheepsmaatje op weg naar Calcutta wekenlang naar het stuurrad - dat draaide en in alle standen kon worden vastgezet - zat te turen, kwam hij op het idee zijn pistool met een draaiende (revolving) trommel uit te breiden.
X Vaseline: toen de jonge chemicus Robert Cheseborough in 1859 naar Pennsylvania trok om bij de eerste olieboringen zijn brood te verdienen, ontdekte hij daar dat de arbeiders hun wonden verzorgden met een het petroleumsmeer dat zich op de stangen en pompen vastzette. Na vele jaren proefnemingen ontwikkelde hij daaruit een zalfje dat hij ‘vaseline’ noemde. Zelf slikte hij daarvan 35 jaar lang elke dag een forse lepel naar binnen. Hij werd 97.