Michael Faraday
De zoon van de smid
‘Er is iets fout met een onderwijssysteem dat de knapste geesten in zo’n toestand achterlaat’
Michael Faraday, zo leer ik uit zijn jongste biografie, leed als kind al aan amnesie. Dus schreef hij alles op. Vele van zijn dagboeken zijn verloren gegaan of vernietigd. Andere geven een zeer precies beeld van zijn doen en laten, zijn kijk op de wereld en vooral van wat hem dreef. Het is bekend dat hij veeleer het lijfknechtje van zijn leermeester Humphry Davy was dan zijn assistent. Maar dat hij op 24-jarige leeftijd Davy ook nog moest scheren en zijn pispot moest ledigen - ‘op zichzelf ook al een les in chemie’ - doet een mens toch opkijken. Davy in een koets en Faraday in weer en wind op de bok. Davy slapend in de kajuit van een schip en Faraday bovendeks in een deken gewikkeld, het heeft wel iets. Op een diner bij een Franse geleerde stuurt Davy Faraday naar de keuken om te eten. ‘Dan ga ik ook in de keuken zitten’, zegt de Fransman. Allez, Faraday mag bij Davy aan tafel.
Het knechtje, dat alleen een paar jaar lager onderwijs had genoten, zou zijn leermeester later ver overtreffen. Als zoon van een smid en vanuit zijn knechtschap was hij zeer praktisch en technisch ingesteld. Precies omdat hij uitblonk in het bedenken van nieuwe experimenten, werd hij de grondlegger van de klassieke leer van elektrische en magnetische verschijnselen. En hij schreef alles op. Hij moest wel, want met het ouder worden verergerden de aanvallen van geheugenverlies. Vanaf augustus 1832 begon hij zijn experimenten te nummeren. Zijn boeken vallen stil op het cijfer 16.041, in 1860. Hij was toen 69. Al die jaren hield hij in het Royal Institution zijn waanzinnig populaire vrijdagavondlezingen. De aula steevast tot de nok gevuld. Het gemiddeld aantal bezoekers bedroeg achthonderd. Soms, bij een lezing over magnetisme in 1851, telde iemand duizend acht en twintig man.
Om dit goed te doen had het kleine mannetje avondles gevolgd: daar leerde hij bijvoorbeeld de ‘positioning’ van voeten, armen, handen en ogen tijdens het spreken. En bovenal: helderheid (clarity). Hij kon zich eindelijk bevrijden van zijn armemensen-accent en sprak altijd met een bordje voor zich op tafel waarop het woord ‘slow’ in kapitalen geschreven stond. Het knechtje was een meester-leraar geworden.
Faraday zoals we hem helemaal niet kennen is de man die door iedereen om een expertise kan worden gevraagd: hij daalt af in een steenkoolmijn om er de gevaren te analyseren; hij bezoekt een munitiefabriek om te zien hoe een nieuwe ramp kan worden vermeden. Zijn halve leven is hij adviseur van een organisatie die de vuurtorens beheert. Op zijn 72ste nog is hij in Dover: ‘Door de sneeuw zaten de wegen dicht. Door over heggen en muren te klimmen en velden te doorkruisen ben ik toch aan de vuurtoren geraakt en kon ik de vereiste onderzoeken en waarnemingen verrichten.’
Tegen het einde van zijn leven maakte hij zich grote zorgen over de kwaliteit van wetenschapslessen in het onderwijs. Niets van wat hij vijftig jaar lang had verkondigd was tot het middelbaar onderwijs doorgedrongen. Hij, die vond dat politiek ‘de laagste van de menselijke passies’ was, liet zich verleiden om te zetelen in een regeringscommissie ter verbetering van het wetenschapsonderricht.
Het was voor de oude man een schok vast te stellen dat de politici alleen aan de dure kostscholen dachten. Nu ja, die konden ook wel wat hebben. Het waren die goed opgeleide mensen die hem al jaren aan zijn oor zeurden om het mesmerisme en het ronddraaien van tafels op spiritistische séances wetenschappelijk te bewijzen. Faraday: ‘Op het einde van hun opleiding zijn zij onwetend over hun eigen onwetendheid. En ik kan alleen maar zeggen dat er iets fout is met een onderwijssysteem dat deze geesten - de knapsten onder hen - in zo’n toestand achterlaat.’ Dat was 140 jaar geleden.
‘Geef mij de allereenvoudigste begrafenis’, zei hij, ‘bijgewoond door niemand behalve mijn familieleden, en plaats achteraf de allereenvoudigste grafsteen, op een eenvoudig stukje aarde.’ En zo geschiedde.
James Hamilton: Faraday. The Life, HarperCollins, 465 blz., 2002.